www.berlijn-now.nl gebruikt cookies!

De websites van Stedenman gebruiken cookies (o.a. van Google) om content en advertenties te personaliseren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Ook delen we informatie over uw gebruik van onze site met onze partners voor social media, adverteren en analyse. Deze partners kunnen deze gegevens combineren met andere informatie die u aan ze heeft verstrekt of die ze hebben verzameld op basis van uw gebruik van hun services.

Klik op "Ja, ik ga akkoord!" om cookies te accepteren en de website volledig te gebruiken, of lees hier meer informatie voor een gedetailleerde beschrijving van de soorten cookies en te kiezen of u deze cookies wilt accepteren tijdens een bezoek aan deze site.
berlijn-bezienswaardigheden-holocaust-monumentberlijn-bezienswaardigheden-dom-museuminselberlijn-kerstberlijn-reichstag-kerstberlijn-bezienswaardigheden-berlijnse-muurberlijn-bezienswaardigheden-spree

De hergeboorte van Berlijn (1648-1806)

Na de Dertigjarige Oorlog kwam voor Berlijn een periode van groei en wisten de keurvorsten en latere koningen van Pruisen hun macht te consolideren. Tot Napoleon in 1806 voet zet op Pruisische bodem.   

In de nasleep van de Dertigjarige Oorlog wordt in 1658 begonnen Berlin en Cölln te fortificeren. Tegelijk wordt de Middeleeuwse stadskern in westelijke richting met de nieuwe stad Friedrichswerder en in het zuiden met de voorstad Neu-Cölln am Wasser uitgebreid. Als de werkzaamheden in 1683 gereed zijn is de stad in een vesting in de vorm van een ster met 13 bastions veranderd. Resten daarvan zijn nog in het Märkische Museum te bezichtigen. De oude verbindingsweg - niet veel meer dan een ruiterpad - tussen het stadsslot en Tiergarten wordt in 1647 tot allee uitgebouwd en met linden beplant.

Berlijn in 1688 volgens tekening van Johann Bernhard Schultz 
Neustadt
In 1670 doet keurvorst Friedrich Wilhelm zijn tweede vrouw, Dorothea Sophie von Schleswig-Holstein-Sonderburg-Glücksburg, het tussen de Berlijnse vestingmuur en Großen Tiergarten gelegen Cöllnse voorwerk (een buiten de eigenlijke vesting gelegen voorpost daarvan) Tiergarten cadeau, dat de naam Neustadt krijgt. Het gebied wordt bebouwd en in 1681 wordt deze voorstad tot Dorotheenstadt omgedoopt. Op de Neustädtischer Kirchplatz stond tot 1965 de in 1863 ingewijde Dorotheenstädtische Kirche, die in 1943 door een bombardement werd getroffen, als gevolg daarvan uitbrandde en waarvan de restanten later werden opgeblazen. 

Na de dood van keurvorst Friedrich Wilhelm in 1688 liet zijn zoon, keurvorst Friedrich III, in 1691 ten zuiden van Dorotheenstadt en ten zuidwesten van Friedrichswerder de derde voorstad aanleggen: Friedrichstadt. Rondom de vesting liggen dan nog in het noorden de Spandauer Vorstadt en in het oosten de Stralauer Vorstadt, met daar tussen Georgenvorstadt. In het zuiden vind je Köpenicker Vorstadt en in het zuidwesten Leipziger Vorstadt.

ParochialkircheLutheranen en Calvinisten
Op initiatief van keurvorst Friedrich III -in tegenstelling tot de in meerderheid evangelisch-Lutherse bevolking zelf calvinist- vindt van september 1662 tot mei 1663 het Berliner Religionsgespräch plaats. Bedoeling is de beide protestante geloofsgemeenschappen dichter tot elkaar te brengen. Als de gesprekken na 17 ronden vruchteloos worden afgebroken beginnen zij ieder met de bouw van hun eigen kerk. In 1695 wordt in de Klosterstraße de Neue Reformierte Stadt- en Pfarrkirche (sinds de vorming van de Kirche der Altpreußischen Union in 1817 Parochialkirche genoemd) en in 1705 door de Hugenoten aan de Gendarmenmarkt de Französische Friedrichstadtkirche in gebruik genomen.

Joden
Ondertussen verbleef in Wenen al sinds honderden jaren de grootste en meest aanzienlijke joodse gemeente van Europa. De rijkdom van de joden wekte de afgunst van de Weense burgerij en sloeg om in openlijke vijandschap en progromachtige toestanden. In 1669 besloot keizer Leopold I alle joden in Wenen uit te wijzen.
De gebeurtenissen in Wenen waren niet aan keurvorst Friedrich Wilhelm voorbij gegaan, die in 1671 vervolgens het "Juden Edict" onderschreef. Nadat hij op verzoek van de uit Oostenrijk verdreven joden Hirschel Lazarus, Abraham Ries en Benedikt Veit in dat jaar vijftig joodse families het recht had verleend zich in Berlijn te vestigen, werd de eerste joodse gemeente gesticht, die in 1700 al 114 families en ruim duizend leden omvatte. Het was de joden echter niet toegestaan synagogen te bouwen en het duurde daardoor tot daags voor het joods nieuwjaar in 1714, eer de eerste Berlijnse synagoge aan de Heidereutergasse 4 werd ingewijd.

Gedenkplaat Alte Synagoge aan de HeidereutergasseDeze Alte Synagoge (of Große Synagoge) zou tot de inwijding van de Neue Synagoge aan de Oranienburger Straße in 1866 als enige synagoge in Berlijn dienst blijven doen. Slechts een gedenkplaat herinnert nu nog aan de 'Alte Synagoge', die in de progromnacht van 9 op 10 november 1938 weliswaar onbeschadigd bleef, maar in februari 1945 door een bombardement volledig werd vernietigd.    

Hugenoten
Een jaar later, in 1672, wordt ook de Hugenoten-gemeente in Berlijn gesticht. Telt deze gemeenschap aanvankelijk honderd leden, vijf jaar later is deze al uitgegroeid tot 700 refugees. Het in 1685 door keurvorst Friedrich Wilhelm von Brandenburg uitgevaardigde Edict van Potsdam (ook bekend als het Potsdamer Toleranzedikt) bood zijn in Frankrijk vervolgde protestante geloofsgenoten, de Hugenoten, vrije vestiging in Brandenburg aan. Bovendien werden deze Franse vluchtelingen grote privileges gegund: zo werden zij vrijgesteld van invoerrechten en belastingen en konden zij op ruimhartige subsidies voor bedrijven rekenen. 

Achtergrond van dit edict was de vervolging van de Hugenoten in Frankrijk nadat koning Louis XIV met het Édit de Fontainebleau op 18 oktober 1685 het Édit de Nantes had herroepen. Daarmee was niet alleen het katholicisme tot staatsgodsdienst verheven, maar werden tegelijk alle protestanten van hun religieuze en burgerrechten beroofd. 

Naast de bescherming van zijn geloofsgenoten hoopte keurvorst Friedrich III met het Toleranzedikt, net als eerder als gevolg van het "Juden Edikt" gebeurde, mensen naar het door de Dertigjarige Oorlog zwaar getijsterde Berlijn te trekken en zo de economie van het geruïneerde Brandenburg weer te doen herleven. Dat hij in deze opzet slaagde moge blijken uit het gegeven dat ruim 20.000 Hugenoten aan de uitnodiging gehoor gaven en zich in Berlijn vestigden, waardoor de bevolking met een derde toenam en de economie, kunst, cultuur en het spirituele leven opbloeiden.

Zo wordt in 1689 in gehuurde ruimten in de Stralauer Straße de eerste (en nog steeds bestaande) openbare school geopend: het Französisch Gymnasium, dat in 1701 haar intrek neemt in Palais Wangenheim in de Niederlage-Wall-Straße (de tegenwoordige Niederlagstraße). Na diverse omzwervingen is het college nu in de Derfflingerstraße (Tiergarten) gevestigd. Vermeldenswaardig is dat sinds haar oprichting Frans altijd de voertaal op deze school is geweest, zelfs ten tijde van het nationaal-socialisme.     

De kroning van Friedrich IDe koninklijke hoofdstad
Als keurvorst Friedrich III zich op 18 januari 1701 in Königsberg als koning Friedrich I tot eerste koning van Pruisen laat kronen stijgt de status van Berlin-Cölln en de voorsteden als hoofdstad van het koninkrijk Pruisen. Op 17 januari 1709 tekent "scheve Fritz", zoals de koning door de bevolking werd genoemd (de vroedvrouw liet hem in zijn eerste levensjaar vallen, waaraan hij een kreupele schouder overhield), een edict waarin de tot dan zelfstandige steden Berlin, Cölln, Friedrichswerder, Dorotheenstadt en Friedrichstadt tot "Königlichen Haupt- und Residenzstadt Berlin" worden samengevoegd. De inwoners van de voorsteden van Berlin en Cölln kregen daarbij dezelfde burgerrechten als die van de stadsbewoners en werden daarmee met hen gelijkgesteld. Het edict werd op 1 januari 1710 geëffectueerd. De stad Berlijn telt dan 55.000 inwoners.

In 1695 geeft keurvorst Friedrich III zijn vrouw Sophie Charlotte van Hannover in ruil voor de buitenplaats Caputh de zeven kilometer buiten Berlijn gelegen nederzetting Lietze / Lütow en een stuk grond. Nog in datzelfde jaar geeft zij opdracht daar voor haar een zomerresidentie te bouwen. Het kleine slot, dat naar het nabijgelegen dorp Slot Lützenburg werd genoemd, wordt op 11 juni 1699 in gebruik genomen en sindsdien door haar als residentie gebruikt. Na haar overlijden in 1705 wordt het kasteel en nabijgelegen nederzetting tot Charlottenburg omgedoopt. 

Arsenaal
In 1695 wordt door keurvorst Friedrich III ook de eerste steen gelegd voor een arsenaal, iets wat keurvorst Friedrich Wilhelm von Brandenburg (de Grote Keurvorst) al in 1667 had verordonneerd, maar waarvoor eerder geen geld was. De militaire successen van Friedrich III en zijn uiteindelijke kroning tot koning van Pruisen maakten dat er behoefte was de stad ook de gewenste grandeur te geven.
Met het arsenaal -het thans oudste gebouw aan Unter den Linden, waarin tegenwoordig het Deutsche Historische Museum is gevestigd- en het eerder door Andreas Schlüter onder handen genomen stadsslot vindt een aanzienlijke opwaardering van Unter den Linden plaats. Niet de oude Berlijnse hoofdstraat, de Königsstraße, maar Unter den Linden wordt de via triumphalis van Pruisen. Waarmee tegelijk het zwaartepunt van de stadsontwikkeling naar de Neustädte wordt verlegd.

Marstall en ObservatoriumOm de koningsstad ook op wetenschappelijk en cultureel gebied toonaangevend te laten zijn richtte Friedrich III in 1696 de Academie der Mahler-, Bildhauwer- und Architectur-Kunst en in 1700 de Kurfürstlich-Brandenburgische Societät der Wissenschaften op. De eerste leeft nog voort in de huidige Akademie der Künste, de tweede in de Berlin-Brandenburgischen Akademie der Wissenschaften. De beide instellingen worden gehuisvest in de bovenste verdieping van de koninklijke stallen (Marstall) tussen Unter den Linden en Dorotheenstraße. Ondertussen wordt de oorspronkelijk voor 200 paarden geschikte Marstall in omvang verdubbeld en ten behoeve van een observatorium van een 27 meter hoge toren voorzien. Als de werkzaamheden zijn afgerond wordt de sterrenwacht op 19 januari 1711 in een feestelijke, in de toren gehouden vergadering aan de sociëteit overgedragen. 

De oprichting van de Academie bracht de stad in 1713 ook een ruimte voor anatomielessen, een theatrum anatomicum. In 1723 wordt de eerste hoogleraar anatomie aangesteld. Bij edikt van 1685 was ondertussen het 'Collegium medicum' opgericht: de 'zorgautoriteit' die toezicht hield op de medische sector, waartoe niet alleen de academisch gevormde artsen en apothekers, maar ook de in gilden georganiseerde baders en barbiers en het verplegend personeel werden gerekend. 

Hospitaal
Met een pestepidemie in Oost-Europa, die ook Pruisen al voor een deel ontvolkt had en nu de Mark Brandenburg en Berlijn bedreigde, verordonneert koning Friedrich I op 14 november 1709 de bouw van lazaretten (pesthuizen) om zo op het ergste voorbereid te zijn. De pest gaat echter aan Berlijn voorbij. Het in 1710 bij de Spandauer Tor buiten de stadsmuur in aanbouw genomen pesthuis wordt daarop in gebruik genomen als militair hospitaal en als 'Spinnhaus' voor armen, bedelaars, ongehuwde moeders en prostituees.

Charité in 1740In 1727 besluit koning Friedrich Wilhelm I, de 'soldatenkoning', dat het lazaret een burgerhospitaal moet worden. In de marge van het besluit vermeldt hij "Es soll das Haus die Charité heißen". Met 3.200 bedden en 7.000 studenten is het huidige Charité - Universitätsmedizin Berlin, niet alleen het oudste ziekenhuis van Berlijn en de oudste medische inrichting van Duitsland, maar ook het grootste academisch ziekenhuis van Europa. 

In 1697 wordt in Stralauer Vorstadt begonnen met de bouw van het in 1702 geopende Großes Friedrichs-Hospital, genoemd naar haar het jaar daarvoor gekroonde oprichter koning Friedrich I. Dit 'Waisen- und Siechenhaus' biedt opvang voor armen, wezen en gekken. Het maakt een voorspoedige groei door, niet in de laatste plaats door de militarisering van de staat. Het hoge en steeds toenemende aantal soldatenwezen maakt dat Friedrich Wilhelm I in 1719 voor de opvang van 300 van zulke wezen middelen beschikbaar stelt.       

In 1661 stichtte Wilhelm Friedrich von Brandenburg de nu als Staatsbibliothek zur Berlin bekend staande Churfürstliche Bibliothek zu Cölln an der Spree. Tot 1780 was deze bibliotheek in de Apothekervleugel van het stadsslot gevestigd.

Ondertussen is in 1617 de eerste (dan nog titelloze) handgeschreven krant verschenen, uitgegeven door "der kurfürstliche Brandenburgische Post- und Botenmeister zu Cölln" Christoff Frischmann, die het door 'zijn' boten meegebrachte nieuws verzamelde. De oudst bewaard gebleven gedrukte uitgave is nummer 36, waarin het nieuws van 16 augustus tot 5 september 1617. De krant viel blijkbaar zo in de smaak, dat Frischmann de opdracht krijgt in het hele Rijk betrekkingen aan te knopen en nieuws te verzamelen. Tot het midden van de 18e eeuw behoudt de krant, die sinds 1751 onofficieel bekend is als Vossische Zeitung (naar zijn toenmalige uitgever, de boekhandelaar Christian Friedrich Voß), het monopolie. De laatste Vossische Zeitung zal eind maart 1934 verschijnen; Ullstein Verlag -dat de krant sinds 1914 uitgeeft- vindt dat het nationaalsocialistische regime het voortbestaan van de krant, waar veel joden als journalist werken, onmogelijk maakt.

In 1592 voerde het hertogdom Pfalz-Zweibrücken als eerste ter wereld de algemene schoolplicht voor meisjes en jongens in. Dit gebeurde na Luther's oproep in 1524 aan de heersers van alle Duitse landen en steden om christelijke scholen op te richten; een oproep die met name in de protestante delen van het land gehoor vond. Uiteindelijk werd in 1717 ook in Pruisen voor alle jongens en meisjes tussen de vijf en twaalf jaar de schoolplicht ingevoerd. Nog steeds kent Duitsland een schoolplicht en geen leerplicht (zoals in Nederland), waardoor thuisonderwijs niet is toegestaan.

Friedrich Wilhelm I 
Als in 1713 koning Friedrich I komt te overlijden laat hij naast vele gebouwen, kerken, bruggen en kastelen in de omgeving van Berlijn en Potsdam ook een grote schuldenberg achter. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon, koning Friedrich Wilhelm I, koning van Pruisen, die maar weinig aandacht heeft voor kunst en architectuur en de inspanningen van zijn vader op dat gebied maar geldverspilling vindt. Hij richt zijn aandacht vooral op de uitbreiding van zijn leger. In de eerste helft van de 18e eeuw groeit het inwonertal van Berlijn van 55.000 (1709) tot 100.000 (1755), het aantal soldaten in de stad groeit in diezelfde periode van 5.000 tot 26.000.
Holländisches Viertel in PotsdamOnder soldatenkoning Friedrich Wilhelm I maakt Potsdam een snelle groei door en wordt dit, naast Berlijn, de tweede koninklijke residentie. Een tweetal studiereizen in zijn jeugd naar Nederland -ter gelegenheid van de kroning van zijn vader tot koning Friedrich I van Pruisen in 1701 kreeg hij (als eerste) de titel Prins der Nederlanden- versterkt zijn toch al puriteins-burgerlijke smaak; dit komt onder meer tot uiting in het thans beroemde Holländische Viertel in Potsdam, dat onder zijn bewind wordt gebouwd.

Ondertussen ontpopt Friedrich Wilhelm I zich tot een absolutistisch heersend vorst, die de staatszaken het liefst zelf ter hand neemt. Vanuit zijn paleis bestiert hij dagelijks -en ook vele nachten- het rijk. Spaarzaamheid en onvermoeibare inzet is zijn devies; niet alleen van zijn ambtenaren, maar ook van zichzelf eiste hij het welhaast bovenmenselijke. Het is waarschijnlijk dat hij de hardstwerkende monarch ooit is geweest. Zijn handgeschreven kattebelletjes "cito citissimo" ("snel, met de hoogst mogelijke spoed") waren berucht. 

Bezuinigingen
Om niet, zoals zijn vader, financieel afhankelijk te zijn van buitenlandse mogendheden stelde Friedrich Wilhelm I zich het weer gezond maken van de staatshuishouding ten doel, wat tot voor die tijd ongekende bezuinigingen leidde. Met massa-ontslagen en het verlagen van de lonen weet hij de jaarlijkse kosten voor de hofhouding van 276.000 tot 55.000 Taler terug te brengen.

Van de 24 sloten van zijn vader worden er 18 verkocht of verhuurd, de Lustgarten wordt omgebouwd tot excercitieterrein en bronzen beelden worden omgesmolten tot kanonnen. De hofkapel wordt ontbonden, paarden, koetsen, zilverwerk, meubelen en zelfs de kroningsmantel vallen aan de bezuinigingen ten prooi. Zelf gebruikt hij slechts vijf vertrekken van het 700 kamers tellende stadsslot. Bij zijn dood in 1740 zijn niet alleen alle schulden afgelost, maar laat hij in vaten in de kelders van het stadsslot zelfs nog een schat na van twee miljoen Taler.
Lange Kerls
Leger
Tegelijk richt hij zich op de opbouw van een sterk leger, dat in zijn ogen militaire interventies van buitenlandse mogendheden onmogelijk maakt en tegelijk waar nodig de Pruisische belangen kan behartigen of zekerstellen. In zijn regeerperiode van 1713 tot 1740 bouwt hij het staande leger uit van 40.000 tot 80.000 manschappen, waarmee Pruisen -na Frankrijk, Nederland en Rusland- de vierde militaire macht van Europa wordt.

Een speciale voorkeur had de koning voor ongewoon lange mannen (lange Kerls) in zijn leger, in het bijzonder in het koningsregiment. Deze werden speciaal gerecruteerd en door de koning persoonlijk aangesteld. Het koningsregiment dankte daaraan haar bijnaam Potsdamer Riesengarde

Om het leger van de nodige munitie te voorzien wordt in 1717 op last van de koning door de Nederlanders Brauer en Van Zee ten noordwesten van Berlijn de Koninklijke Kruitfabriek gebouwd, waar veel Franse immigranten werk vinden. De Fransen vestigen zich in de buurt van de fabriek en noemen hun wijk in een verwijzing naar het oude testament terre de Moab, nu nog terug te vinden in de naam Moabit.   

Tolmuur
Tussen 1734 en 1737 wordt de oude stadsmuur afgebroken en een houten tolmuur (Akzisemauer) met 14 torens opgetrokken. Deze moet niet alleen verzekeren dat invoerrechten worden betaald, maar zorgt er tegelijk voor dat dienstplichtige jonge mannen en deserteurs Berlijn niet kunnen ontvluchten. Tegelijk kan met de tolmuur het inkomende en uitgaande verkeer worden gecontroleerd. Zo mogen joden de stad enkel in via de Rosenthaler Tor (vanaf 1750 Prenzlauer Tor) in het noorden en de Hallesche Tor in het zuiden; ze moeten zich dan ook laten registreren.

De tolmuur zal pas tussen 1867 en 1870 verdwijnen. De enige overgebleven restanten zijn een tolhuis op het Lohmühleninsel in het Landwehrkanal (plm. 500 meter van de Schlesisches Tor, nabij Schlesische Straße, Berlin Treptow) en Brandenburger Tor. In de Stresemannstraße (Berlin Kreuzberg) ter hoogte van nummer 64 is in 1987 een stukje van de Akzisemauer nagebouwd.

Veel inspanning pleegt Friedrich Wilhelm I om nieuwe bewoners te trekken voor het door de pestepidemie van 1709 getroffen en daardoor sterk ontvolkte Oost-Pruisen. Nadat de Salzburgse prinsaartsbisschop Leopold Anton von Firmian in de winter van 1731 een emigratiebevel tekent waardoor 20.000 protestanten worden gedwongen te vertrekken vaardigt de koning een edict uit waarin hij belooft deze Salzburger immigranten (in het Duits: Salzburger Exulanten) in Pruisen te zullen opnemen. 

Als in 1732 veel hugenoten worden gedwongen hun thuisland Bohemen te verlaten is het wederom Friedrich Wilhelm I die zich als beschermer van de protestanten opwerpt.  De ongeveer 1.200 vluchtelingen vestigen zich in het buiten de stadsmuren gelegen Rixdorf, het huidige Neukölln.

Reageer op dit artikel
Mail de redactie
Share dit artikel op Facebook!
Tweet dit artikel op Twitter!
Deel dit artikel!


Fragmente

Video van Marco Woldt over het Lichtgrenze-project in Berlijn op 9 november 2014. Ter herdenking van 25 Val van de Berlijnse Muur.